Want ziet, zij loeren naar mijn leven, In een verbond zij hen begeven; Al de sterksten vangen zulks aan, Daar ik hen niet hebbe misdaan. Daartoe is 't dat zij hen nu stellen, Opdat zij mij t' onrechte kwellen; Dies waak op, Heer, en daarin ziet, Voorkom mij toch in dit verdriet.
"God heeft ons niet gegeven een geest der vreesachtigheid."