Gemeente van onze Heere Jezus Christus,
Eerst willen wij luisteren naar wat de Bijbel zegt over de instelling en de betekenis
van
de doop.
Voordat de Heere Jezus naar de hemel ging, droeg Hij zijn discipelen op de wereld in
te gaan en alle volken tot zijn discipelen te maken. Zij die tot geloof kwamen, moesten
gedoopt worden in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Bij deze instelling van de christelijke doop heeft Jezus toegezegd dat wie geloofd zal heb
ben en gedoopt zal zijn, zalig zal worden, maar wie niet geloofd zal hebben, verdoemd
zal worden.
Kort daarna werd de Heilige Geest uitgestort op het pinksterfeest. Drieduizend mensen
kwamen tot geloof en werden gedoopt.
De doop laat ons zien dat wij door de zonde onrein zijn en dat onze zonden afgewassen
moeten worden. Als nageslacht van Adam zijn wij in zonde ontvangen en geboren en
rust de toorn van God op ons. Job belijdt: “Wie zal een reine geven uit een onreine?”
Jezus zegt tegen Nicodemus dat wij het Koninkrijk van God niet binnen kunnen gaan
als wij niet opnieuw geboren worden.
Deze algehele vernieuwing kunnen wij onszelf niet geven en daarom zoeken wij onze zaligheid buiten
onszelf in Jezus Christus. Bij Hem alleen is die te vinden. Het water bij de
doop wijst heen naar het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, dat onze zonden afwast,
zodat wij in Hem rein voor God zijn. Onze zonden worden verzoend doordat God ons
toerekent wat Christus door zijn lijden en sterven heeft verworven.
Bij onze doop ontvangen wij het teken en zegel van wat God ons in het verbond der
genade belooft.
De Vader bezegelt ons dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade sluit. Hij belooft
ons dat Hij ons tot zijn kinderen en erfgenamen aanneemt en altijd als een Vader voor
ons wil zorgen, in voor- en tegenspoed.
De Zoon bezegelt ons dat Hij ons wast in zijn bloed van al onze zonden. Hij doet ons
delen in de gemeenschap van zijn dood en opstanding om ons zo te doen sterven aan ons
eigen ‘ik’ en te doen opstaan in een nieuw leven.
De Heilige Geest bezegelt ons dat Hij in ons wil wonen en werken. Hij belooft ons dat Hij ons tot leden van Christus wil heiligen, en zegt ons toe dat Hij ons deel wil geven aan wat wij in Christus hebben. Dat is het afwassen van onze zonden en het dagelijks vernieuwen van ons leven, totdat wij ten slotte zonder enige zonde, met heel de gemeente van de uitverkoren kinderen van God, eeuwig leven.
De HEERE geeft ons in de doop niet een bevestiging van ons geloof of van onze bekering, maar een teken en zegel van zijn verbondsbeloften. Met vrijmoedigheid mogen wij bidden om de vervulling daarvan. Aan dit gebed verbindt Hij zijn zegen. Wanneer wij Hem echter niet geloven op zijn Woord, verbreken wij dit verbond. Dit ongeloof blijft niet zonder gevolgen. Tegenover Gods verbondszegen staat zijn verbondswraak.
Nu willen wij horen waarom kleine kinderen gedoopt worden.
De kinderen van gelovige ouders ontvangen de heilige doop als teken en zegel van het
verbond dat God ook met hen gesloten heeft, al begrijpen ze er nog niets van. Voor de
HEERE horen zij er helemaal bij.
Toen de HEERE zijn volk uit de slavernij van Egypte leidde, werden óók de kinderen
bevrijd. Zij zijn een deel van zijn gemeente, waaraan Hij zijn heil belooft.
Tot allen zegt Hij: “Ik ben de HEERE, uw God.” Hij belooft oud én jong naar het
beloofde land te brengen.
Wanneer het merendeel in de woestijn omkomt, is dat geen gevolg van een tekort in
Gods belofte, maar is dit enkel en alleen te wijten aan hun ongeloof.
Gods verbondsbeloften gelden voor de gelovigen en voor hun kinderen. De HEERE
sloot een verbond met Abraham, de vader van alle gelovigen, en met zijn nageslacht.
Als teken van dit verbond der genade moesten de jongens op hun achtste levensdag besneden worden. Wie de
besnijdenis niet overeenkomstig Gods bevel uitvoerde, verbrak
dit verbond en riep de toorn van God op.
Nu het bloed van Christus heeft gevloeid, heeft de besnijdenis als teken van het verbond
haar vervulling ontvangen in de christelijke doop. Paulus schrijft aan de christelijke gemeente te
Kolosse dat zij die gedoopt zijn nu niet meer besneden behoeven te worden.
In het Oude Testament ging het ten diepste om de besnijdenis van het hart. Dit geldt
niet minder van het gedoopte kind in de nieuwtestamentische gemeente.
Aan de gemeente te Korinte schrijft dezelfde apostel dat de kinderen van een gelovige
vader of moeder heilig zijn. Zij zijn niet zonder zonde, maar worden apart gezet van de
wereld om hen heen, om de Heere met en in zijn gemeente te dienen. Heel de gemeente
wordt daarom geroepen tot geloof en levensheiliging.
Deze gemeente wordt in het Woord van God gewaarschuwd voor ongeloof. Allen wordt
op het hart gebonden dat alleen wie gelooft wat de HEERE belooft, het heil metterdaad
ontvangt.
Wanneer Paulus het Evangelie in Europa verkondigt, komen in Filippi Lydia en de gevangenbewaarder door
de Heilige Geest tot geloof in de Heere Jezus. Zij worden gedoopt
met hun hele huis.
Op de pinksterdag heeft Petrus aan toegestroomde Joden en Jodengenoten verkondigd:
“Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen die veraf zijn, zovelen als
de Heere, onze God, ertoe roepen zal.”
Zoals in het Oude Testament de beloften van het verbond heel de gemeente golden, zo komt de HEERE ook nu nog met zijn belofte van vergeving en vernieuwing tot de gelovigen en hun kinderen, want ook zij behoren tot zijn verbondsgemeente.
Het gaat in het Oude en in het Nieuwe Testament om hetzelfde verbond met dezelfde beloften, ook al wisselt het teken ervan. Daarom mogen de gelovigen en hun kinderen slechts één keer de doop ontvangen. Wat God zegt, blijft gelden. De christelijke kerk belijdt dan ook: “één doop tot vergeving der zonden.”
Op grond van deze beloften van de drie-enige God behoren gelovige ouders dagelijks voor hun kinderen te bidden, en mogen zij vragen om de vervulling van die beloften van het verbond. Zij moeten hun kinderen van jongs af aan leren ook zelf daarom te bidden, in het vaste vertrouwen dat de HEERE deze gebeden zal verhoren. Ouders zijn ertoe geroepen hun kinderen in de vreze des HEEREN op te voeden en hun kinderen voor te gaan in het vertrouwen op God en in het leven voor Hem. Beiden, ouders en kinderen, worden opgeroepen te strijden tegen de zonde en een nieuw, godvrezend leven te leiden.
Heel de gemeente ziet ernaar uit en bidt erom dat de gedoopte kinderen zelf de HEERE gaan kennen en in het openbaar belijdenis van hun geloof afleggen.
Voordat wij overgaan tot de bediening van de heilige doop, bidden wij tot de HEERE,
onze God:
Genadige en barmhartige HEERE in de hemel.
Als uw gemeente zijn wij samengekomen met deze ouders.
Nu zij met hun kind tot de doopvont naderen, bidden wij voor hen en hun kind.
U laat hun zien dat U zich aan hun kind verbonden hebt en uw Naam op zijn voorhoofd
schrijft.
Voor de genade en zegen dat U uw beloften aan pasgeborenen wilt geven, danken wij U
oprecht.
Wij bidden U, trouwe God, dat U alles wat U in het verbond der genade belooft, in het
leven van deze dopeling vervult.
Wilt U dit kind in genade aanzien en het door uw Heilige Geest een plaats geven in het
lichaam van onze Heere Jezus Christus, zó dat het in zijn dood begraven wordt en met
Hem opstaat in een nieuw leven.
Laat de bediening van de heilige doop voor de hele gemeente tot zegen zijn.
Wij zijn in uw Naam gedoopt en U hebt ons allen zoveel beloofd. Geef dat wij dit bij
deze doop opnieuw mogen zien en des te meer bidden om de vervulling van uw beloften.
Geef dat wij ook beseffen wat wij U beloven met het oog op dit kind en leer ons daarnaar
te leven.
En als eenmaal ook voor dit kind het ogenblik aanbreekt dat het voor de rechterstoel van
Christus verschijnt, laat het dan zonder vrees mogen staan voor Hem, uw Zoon, onze
Heere Jezus Christus, die met U en de Heilige Geest de enige God is, en leeft en regeert
tot in eeuwigheid.
Verhoor ons, barmhartige God, om Jezus’ wil.
Amen.
Vragen aan de ouders voor de bediening van de heilige doop:
U hebt gehoord dat de doop een instelling van de Heere is en een teken en zegel van zijn
belofte, waarin ook uw kind deelt. Daarom vragen wij u een eerlijk antwoord te geven
voor God en zijn gemeente op de volgende vragen:
Wat is daar uw antwoord op?
Antwoord; Ja.
Vraag aan de gemeente: geliefde gemeente, wilt u de gedoopte kinderen met
liefde in uw
midden ontvangen en de ouders zoveel mogelijk helpen bij de christelijke opvoeding van
hun kinderen?
Antwoord: ja.
Bij de bediening van de doop worden de instellingswoorden gebruikt:
… (naam), ik doop u in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest.
Amen.
Dankzegging
Vader, Zoon en Heilige Geest, in uw Naam is … (naam) gedoopt.
Wij danken U dat U niet alleen met Abraham en zijn nageslacht het verbond der genade
hebt gesloten maar dit ook met ons en onze kinderen hebt gedaan en in de doop ons
daarvan een teken en zegel hebt gegeven.
Hemelse Vader, U beloofde dit kind tot een God te zijn en het altijd uw vaderlijke zorg
te willen betonen. Wij bidden U om de vervulling van uw beloften voor dit kind. Wij
vragen U daarom of U altijd zijn Vader wilt zijn en dat het als kind van U mag leven, in
liefde tot U en in vast vertrouwen op U.
Zoon van God, U beloofde dit kind al zijn zonden af te wassen met uw bloed. Wij bid
den U het te doen delen in de vergeving van de zonden.
Heilige Geest, U beloofde dit kind geheel te vernieuwen. Wilt U in het hart van dit kind
zo werken, dat het geheel voor God leeft in een nieuwe levenswandel.
Geef het daarom, drie-enige God, oprecht geloof in U, hartelijke liefde tot U en sterke
hoop op U. Geef deze ouders uw genade om dit kind op te voeden voor U, overeenkomstig uw verbond. Geef
ons als uw gemeente om samen met de ouders een voorbeeld te
zijn in heel onze levenswandel.
Werk in de harten van onze kinderen zo, dat zij uw Naam belijden en U leren volgen.
Bewaar hen ervoor dat zij zich afkeren van U en in de handen van de boze vallen, opdat
zij niet als kinderen van het verbond verloren gaan.
Geef dat allen die gedoopt zijn de goede strijd mogen strijden en in uw kracht overwinnen.
Wij bidden U dat dit gedoopte kind voor altijd U mag toebehoren, om met heel uw kerk
U eeuwig te loven en te prijzen.
Hoor ons, barmhartige Vader, om Jezus’ wil, die ons heeft leren bidden:
Onze Vader, die in de hemelen zijt;
uw Naam worde geheiligd,
uw Koninkrijk kome,
uw wil geschiede, gelijk in de hemel
alzo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood
en vergeef ons onze schulden,
gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren,
en leid ons niet in verzoeking,
maar verlos ons van de boze;
want van U is het Koninkrijk
en de kracht en
de heerlijkheid,
tot in eeuwigheid.
Amen.