Psalm 101
Den Heere nu prijst,
Hem ere bewijst;
Wilt Hem bidden aan
Op Zijnen berg zaan,
Naar Zijn gevallen;
Want boven allen
Is Hij heilig en goed;
Dies elk Hem loven moet.
Gij, volkeren des aardrijks al,
Zingt den Heere met blij geschal,
En dient Hem met harte verheugd,
Verschijnt voor Zijn aanschijn met vreugd.
Bekent, dat Hij een Heere zij,
Die ons zonder ons toedoen vrij
Gemaakt heeft en verworven fijn
Tot schaapkens goed der weiden Zijn.
Wilt tot Zijnen tempel ingaan,
Doet van lof en dank vermaan;
In Zijn schone voorhoven zoet,
En prijst daar Zijnen Name goed.
Want vol van goedheid is de Heer,
Zijn genade duurt immermeer;
Zijn godd'lijk woord en Zijn waarheid
Blijven tot in der eeuwigheid.
Van Gods goedheid en oordeel wil ik zingen;
Ik wil Hem schone lofpsalmen toebringen,
Daarmee dat ik God den Heer bovenal
Grootmaken zal.
Ik wil wand'len met oprechten gemoede;
Wann' zal ik heersen met vreed' in voorspoede?
Dan wil ik mijn volk trouwelijk bijstaan
En voren gaan.
Tekst: Petrus Datheen
© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden