Psalm 5
Verhoor, o God, mijn woorden klachtig,
Laat Uw oren op zijn gedaan;
En wil toch d' oorzake verstaan
Mijns klagens en zuchtens eendrachtig,
O Heer almachtig!
Hebt acht op mijn zuchten gestadig,
Mijn God en Koning groot geacht,
Dewijl ik tot U met aandacht
Mijn smeken doe, o Heer genadig
Ende weldadig.
Des morgens vroeg, vóór den daag'rade
Zult Gij mij verhoren eenpaar.
Want zeer vroeg zal ik U voorwaar
Bidden, wachtende vroeg en spade
Op Uw genade.
Gij zijt een God, die de boosheden,
Niet en bemint, maar wederstaat.
Bij U zijn de boosdaders kwaad,
Met haren doen en boze zeden,
Gans niet geleden.
De dwazen, die naar U niet vragen,
Zullen voor U verschijnen niet.
Want Gij die hatet, zo men ziet.
Die boosheid doen zonder versagen,
Ja met behagen.
Gij zult Uwe gramschap bewijzen
Over de leugenaars gemeen.
Doodslagers, bedriegers meteen,
Zijn voor God (Dien elk mens moet prijzen)
Een groot afgrijzen.
Maar door Uw goedheid hoog geprezen,
Die Gij mij bewijst, zal ik gaan
Om U, o Heer! te roepen aan
In Uw huis, daar zal ik mits dezen
Godvruchtig wezen.
Geleid mij Heer en laat toch blijken
Aan mij Uw goedheid; dat mij niet
Mijn haters brengen in 't verdriet.
Leid mij op Uw pad desgelijken,
Zonder afwijken.
Tekst: Petrus Datheen
© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden