Psalm 138
Doch zo ik U, Jeruzalem geprezen,
Vergete, zo moet mijn rechterhand wezen
Onwetende des harpenspel hiernaar.
Mijn tonge kleev' aan mijnen mond eenpaar,
Zo ik u vergeet en mij kan verblijden,
Anders dan in uw welvaart t' allen tijden.
Wil Heer, den Edomieten zijn gedachtig,
Die over Jeruzalem riepen prachtig,
Als zij de stad teniet deden zeer fel,
Gedenk, dat sommigen riepen snel:
Rein af! rein af! dat ze gans verbrand werde,
Ende meteen uitgeroeid tot der aerde.
Maar men zal u, Babel, nog zo verbranden;
Gelukkig zullen ook wezen de handen,
Die 't kwaad zullen wreken, van u gedaan.
Wel hem, die uw kind'ren zal grijpen aan,
En trekken van uwe borsten onreine,
Om die te verpletteren aan de steine.
Ik dank U, Heer, uit 's harten grond;
Lippen en mond
Uw eer voortbringen;
Voor de vorsten wil ik, o Heer,
Uw lof en eer
Gestadig zingen.
Ik wil in Uwen tempel zaan
U bidden aan,
En eer bewijzen,
En U danken om Uw goedheid
En getrouwheid,
Niet om volprijzen.
Gij hebt Uwen Naam gemaakt groot,
Als Gij in nood
U toont waarachtig.
Als ik U aanroepe, Heer, Gij
Verhoret mij
En troost mij krachtig.
Dies moeten de koningen al,
In dezen val,
U zeer vereren,
Als zij verstaan, dat steeds Uw woord
Vast blijft nu voort,
O Heer der heren!
Tekst: Petrus Datheen
© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden