Psalm 55
Och, Heer almachtig, help toch mij,
Door Uwen Naam en sterkte krachtig;
Neem mijn zaak aan, wees mijns gedachtig,
Laat Uwe macht verschijnen vrij.
't Gebed dat ik nu doe, verhoor;
Wil, Heer, neigen tot mij Uw oren,
Opdat Gij moogt goediglijk horen
De woorden, die ik brenge voort.
Met een wreed harte, zo elk ziet,
Komen mij nu toe mijn vijanden;
Naar mijn leven zijn ze gestanden,
Zij hebben God voor ogen niet,
Nochtans doet God mij onderstand
Door hulp, die Hij mij heeft bewezen;
Hij is bij mij in allen dezen
En onderhoudt mij met Zijn hand.
Hij is 't, die daar doet vallen zwaar
Op mijn vijanden al Zijn plagen;
Als zij van Hem werden verslagen,
Dan werd Uwe trouw openbaar.
Dan zal ik vrijwillig, o Heer!
Een vrolijk offer U toebringen;
Uwen naam lovende met zingen,
Die vol goedheid is en vol eer.
Gij heb mij uit nood ende pijn
Verlost, en mij laten aanschouwen
Mijnen lust in dat zwaar benauwen,
En de straf der vijanden mijn.
O Heer, wil mijn gebed verhoren,
Keer niet van mijn smeken Uw oren,
Dat ik U, o God, doe gestadig.
Zie mij toch aan, hoor mijn gewag;
Want ik zucht en doe mijn geklag;
Tot U schrei ik, wees mij genadig.
Mijn haters mij dreigen en plagen
Met de bozen, die mij najagen;
Haar giftig hart, vol loze treken,
Op mijn schade naarstig bedenkt,
Ik ben van hen vervolgd, gekrenkt;
Mijn hart is vol van angst en beven,
Vol dood'lijke vrees is mijn leven,
Ik ben verbaasd en zeer verslagen:
Met schrikken en benauwdheid groot
Ben ik nu bedekt in den nood;
Dies moet ik U, Heer, alzo klagen:
Och! of mij vleugelen toekwamen,
Als duifkens die daar vliegen t' zamen!
Opdat ik nu mocht weggeraken
En haast ergens wel bevrijd zijn;
Ik zou vliegen in een woestijn
Ende daar mijnen leger maken.
Ik zou mij haast verzien ter zijden,
En voor dezen stormwind mij vrijden,
Totdat hij waar voorbij gegleden.
Maak Heer, oneens haar tongen snel,
Verderf ze; want van geweld fel,
En van onrecht zijn vol haar steden.
Moedwillig geweld t' allen stonden,
Is binnen haar muren gevonden;
Moeit', arbeid en al zulke werken,
Onrecht en ook grote boosheid,
Liegen, bedriegen, listigheid,
Heersen bij hen, zo men kan merken.
Waar 't dat mijn vijand, dien ik kende,
Mij vervolgd' en mij alzo schende;
Of dat, die mij merk'lijk benijden,
Mij benauwden; ik zou 't voorwaar
Beter lijden, of hier of daar
Voor hen mij bergen en hen mijden.
Maar gij, die alleen pleegt te wezen
Mijn gezel en vriend uitgelezen;
Die mij waart lief en aangename,
En wist bovendien mijn secreet.
Wij wandelden fijn met bescheed;
Ja gingen in Gods huis te zamen.
De dood moet z' al haastelijk halen,
En dat ze ook levende dalen
Ter helle; want onrecht en schade
Woont onder deze boze rot;
Maar ik aanroepe mijnen God,
Die mij beschermt door Zijn genade.
Tekst: Petrus Datheen
© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden