Psalm 91
Over Uwe knechten laat Uw werk blijken;
Laat over onz' kind'ren schijnen Uw ere,
En Uw heerlijkheid klaar blinken, o Heere!
Regeer ons doen, o God! Heer des aardrijken,
En stier ons toch in enen rechten gank,
Regeer ons doen, want wij zijn mensen krank.
Die in Godes bewaring sterk
Hem begeeft onbezweken,
Die woont in een vast bollewerk;
Dies hij zeer wel mag spreken,
En zeggen bij hem t' allen stond:
God is mijn hulpe krachtig,
Mijn burcht en ook mijn vaste grond,
Daar ik op hoop eendrachtig.
Van des jagers valstrikken al,
En van geweld zeer machtig,
Van schadelijke pesten zal
Hij u ook helpen krachtig,
Hij zal met de vleugelen Zijn
U dekken en bevrijden;
Zijn hulp zal u in nood en pijn,
Een schild zijn t' allen tijden.
's Nachts zult gij dat ding vrezen niet,
Dat de mensen doet beven;
Noch de pijlen die 's daags met vliet
Geschoten zijn daarneven;
Ook voor geen sterven scherp noch groot,
Dat 't volk des nachts bespringet;
Noch voor 't haastige, 't welk den dood
Den mensen 's daags toebringet.
Al storven aan uw linkerzijd'
Duizend en tienduiz'd t' zame,
Ter rechter; nog zijt gij bevrijd
Voor schaden onbekwame.
Gij zult onbevreesd schouwen aan
De booz' in haar verderven;
En hoe zij haren loon zeer zaan,
Ontvangen en beërven.
Tekst: Petrus Datheen
© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden