Psalm 96
Zo tot Massa en Meriba
Uwe vaders voor ende na
In de woestijne te doen plagen;
Zij tergden Mij met harten kwaad,
En beproefden vroeg ende spaad'
Al Mijn werken, die zij daar zagen.
Daar Ik veertig jaren eenpaar
Met hen veel arbeid had voorwaar;
Dies klaagd' Ik aldus onverzwegen:
Dit volk is gans zonder verstand,
Van harten gaar dwalende, want
Zij zullen niet leren Mijn wegen.
Dies als Ik van hen werd versmaad,
Ik was toornig door zulk een daad,
En heb in Mijn gramschap gezworen:
Dat dit boos en verkeerd geslacht
Nimmermeer zoude zijn gebracht
Ter ruste Mijner uitverkoren.
Zingt een nieuw lied den Heer geprezen,
Zingt, gij volken, wilt vrolijk wezen;
Looft en prijst Zijnen Naam altijd,
En verkondigt breed ende wijd
Gods verlossingen groot mits dezen.
Laat de heidenen Zijn eer merken,
Maakt gewag van Zijn wonderwerken;
Want hoog verheven is de Heer,
Die gevreesd moet wezen veel meer
Dan d' afgoden in alle perken.
Want de goden, die 't volk doen beven,
Zijn gans'ijk niet, want zij niet leven;
Maar God schiep den hemel zeer rein,
Zijn heerlijkheid en kracht niet klein,
Gaan voor Hem; hoog is Hij verheven.
Majesteit en kracht t' allen stonden
Zijn in Zijn heilig huis bevonden;
Daarom, gij volken, komt toch hier,
Geeft God den Heere goedertier
Eer en vreze met hart en monden.
Looft ende prijst den Heer eendrachtig,
Maakt groot den Name Gods almachtig.
Gij volken brengt Hem met deemoed
Geschenken en veel gaven goed;
Komt in Zijn huis, zijt daar aandachtig.
Tekst: Petrus Datheen
© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden