Psalm 39
Ik sprak: Ik woude (zijnde welbedacht)
Op al mijn wegen nemen acht,
Dat ik met spreken niet misdeed onvrij,
Zolang de boze staat voor mij;
Al zou ik moeten mijnen mond altijd
Met enen toom houden bevrijd.
Als een stomm' en sprak ik noch goed, noch kwaad,
Ja 't goed verzweeg ik, 't welk mij schaadt;
Dies heeft zeer toegenomen, Heer mijn smart,
En met angst heeft gebrand mijn hart;
Dewijle dat ik murmureerd' onvro
Bij mij; tot dat ik sprak alzo:
Maak mij, o Heere, openbaar mijn end,
En den tijd mijns levens bekend;
Dat ik versta den tijd, dien Gij mij stelt;
Want Gij hebt mijn dagen geteld,
Die haast voorbij lopen, alzo men ziet,
En bij U geacht zijn als niet.
De mens, als ijdelheid, zeer haast verdwijnt
Als hij ook best te leven schijnt.
Hij is als een stroom, die snel gaat voorbij;
Tevergeefs vroeg en laat slaaft hij,
Om 't goed te verzamelen overal,
Niet wetend wien hij 't laten zal.
Wat is 't toch, dat ik verwacht, o mijn Heer?
Mijn hope staat op U nu meer.
Verlos mij van mijn zonden groot en zwaar;
Laat niet toe, dat ik zij eenpaar
Een tijdverdrijf en ook een spot onrein
Der dwaaz' en godd'lozen gemein.
Ik heb gedaan als een stom mens, voorwaar,
Stil zwijgende voor ende naar;
Want Gij, Heer, Zelf hebt mij toch zulks gedaan;
Dies houdt op van plagen en slaan;
Want door Uw straffen ben ik gans versmacht,
Gevoelend Uw handen met kracht.
Als Gij den mense straft ende kastijdt,
Hij werd tot niet in korten tijd;
Zijn schoonheid haast gelijk een kleed vergaat,
Dat de motten vereten kwaad.
De mensen zijn (zo men spreekt de waarheid)
Anders niet dan een ijdelheid.
Tekst: Petrus Datheen
© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden