Psalm 61
Als ik roep, versta mijn reden,
Mijn gebeden,
O God! verhoor in 't gemeen.
Mijn ziel, met angst bezwaard zere,
Tot U, Heere,
Heeft haren toevlucht alleen.
Op een steenrots, Heer geprezen,
Laat mij wezen
Gesteld, daar ik vrij zijn zal;
Gij zijt mijn toevlucht bevonden
T' allen stonden,
Tegen mijn vijanden al.
In Uwen tempel zeer schone
Is mijn wone
Altijd, o God! met ootmoed;
Onder Uwe vleug'len zijnde,
Ik bevinde
Toevlucht en bescherming goed.
Want Gij geeft mij, Heer, genadig
En gestadig
Al mijn begeerten niet klein;
Want Gij laat mij, Heer, toekomen
Aller vromen
Erfdeel, die U vrezen rein.
Gij zult de jaren vermeren
En vereren
Uwes konings openbaar;
Zodat hij vast zal beklijven
Ende blijven
Nog menig geslacht en jaar.
Voor U ook, Heer, desgelijke
Zal zijn rijke
Zekerlijk en vast bestaan;
Dat Uw waarheid en genade
Vroeg en spade
Dat behoede nu voortaan.
Zo zal ik Uwen lof zingen
En voortbringen,
En groot maken Uwen Naam;
Ik zal met vlijt dan betalen,
Zonder dralen,
Mijn beloften, Heer, al t' zaam.
Tekst: Petrus Datheen
© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden