Psalm 132
Gedenk toch des Davids, o Heer,
En ook aan al zijn lijden zwaar;
Die U eed deed in 't openbaar,
En U, God Jakobs vol van eer,
Beloften altijd deed eerbaar.
Heer! dit beloofd' ik U (sprak hij);
Ik en wil in mijn huis niet staan,
Noch op mijn bedde slapen gaan,
Ja ook niet eenmaal sluimen vrij,
Ik zal mijn ogen niet toeslaan.
Totdat ik God een plaatse rein
Vinde, die voor Hem zij bekwaam;
Daar de Heer onze God eerzaam
Wonen en blijven mag allein,
En des sterken Gods hoge Naam.
Wij verstaan en ons werd verteld,
Dat Hem Efrata, 't schone dal,
Behaagt boven de plaatsen al;
Wij hebben gevonden in 't veld
Een oord, 't welk voor U wezen zal.
Daar zullen wij, zijnde verblijd,
Hem bezoeken, en t' allen stond
Hem bidden uit des harten grond.
Dies maak U op, Heer, nu ter tijd,
Gij en d' arke van Uw verbond.
Laat de priesters daar bekleed zijn
Met de ware gerechtigheid;
Uwe heil'gen met vrolijkheid
Vervuld, en bewaar 't rijke fijn
Uws gezalfden voor tegenheid.
God heeft David een eed gedaan;
Die blijft vast en onwankelbaar,
En sprak: Op Uwen stoel zeer klaar
Zal een Uwer kind'ren voortaan
Regeren met voorspoed eenpaar.
Is 't dat Uw kinderen Mijn woord
En Mijn lere bewaren vrij,
Die zij verstaan; zo zullen zij
Met hare kinderen nu voort,
Eeuwig regeren ongestoord.
Tekst: Petrus Datheen
© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden