Psalm 130
Gij zult uit uwen zade
Kindskind'ren zien zeer wel;
Ende door Gods genade
Veel vreeds in Israël.
Van der jeugd aan hebben zij mij gekweld
Duizendmaal, dies spreekt Israël met zinnen:
Van der jeugd aan leverden zij mij 't veld,
Maar zij hebben mij niet kunnen verwinnen.
Ik drage de merktekenen aan 't lijf,
Zodat ik gans doorploegd te wezen schijne
Op den rugge met voren diep en stijf;
Gans aan tweên is mijn arm vlees door deez' pijne.
Maar God, Die alles rechtvaardiglijk doet,
Heeft der godd'lozen banden afgesneden;
Dat zij ter schande worden, die onvroed
Sion wensen 't verderf, angst met onvreden.
Dat zulk mens als gras word' aan elken kant,
't Welk op muren en daken onbekwame
Groeit, 't welk haast verdroogt; daarom ook niemand
Arbeiden wil, opdat hij 't brenge zame.
Men zag nooit dat enig maaier daarvan
Een handvol heeft gebracht, t' eniger tijden;
Veel min heeft daarvan iets gebracht die man,
Die schoven bindt op 't veld aan elke zijden.
Zij allen, die daar wandelen voorbij,
Spreken niet; de zegeninge des Heeren
Zij over u, wij zegenen u vrij
In den Naam Gods, die verhoogd is in ere.
Uit de diepten, o Heere,
Mijner benauwdheid groot,
Roep ik tot U gaar zere,
In mijnen angst en nood.
Heer, wil mijn stem verhoren;
Tekst: Petrus Datheen
© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden