Psalm 131
Wilt Gij met ernst de zonden
Toerekenen voortaan;
Wie kan t' eniger stonden
In Uw oordeel bestaan?
Maar Gij wilt, Heer, vergeven
De zonden minst en meest;
Dies zijt Gij in dit leven
Zeer bemind en gevreesd.
Den Heer wil ik verwachten,
Mijn ziel staat altijd voort
Op Hem; met ganse krachten
Hoop ik vast op Zijn woord.
Mijn ziel verwacht lankmoedig
Van d' een nachtwake zwaar,
Totdat d' ander komt spoedig,
En de dag opstaat klaar.
Dat Israël vast bouwe
Op God de hope zijn;
Want vol genaad' en trouwe
Is de Heer en God mijn.
Hij is 't, Die onbezweken
Israël gans bevrijdt
Van zonden en gebreken,
Die Hij meteen scheldt kwijt.
Mijn hart is, Heer, in groot eenvoud
Ootmoedig; ook en zijn niet stout
Mijn ogen; ik durf niet bestaan
Dingen die mij te boven gaan.
Heb ik mijn boze lusten wild
Niet overwonnen en gestild?
Heb ik mij alzo niet verkleend,
Als een kind dat de moeder speent?
Heb ik mij niet gelijk, o Heer,
Geacht, als een kindeke teer?
Ja als een gespeend kind zeer fijn,
Met recht mag ik verstoten zijn.
Israël zal van nu voortaan
Op den Heer zijnen God vast staan
En hopen op Zijn goedigheid
Van nu tot in der eeuwigheid.
Tekst: Petrus Datheen
© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden