Psalm 143
Ik roepe God met harte aan,
Ik smeke Hem gans onderdaan';
Ik storte voor Hem uit mijn hart,
En vertelle Hem al mijn smart.
Als mijn geest en mijn hart met nood
Gans bezwaard is, en met angst groot;
Nog weet Gij Heer, in dezen al,
Hoe ik daaruit verlost zijn zal.
Zij hebben mij strikken bereid,
En mij te vangen toegeleid.
Als ik mij alzins heb gewend,
Der vrienden geen heeft mij gekend.
Geen middelen mij nu voorstaan,
Om enigszins hen te ontgaan;
Daar is niemand in mijn geslacht,
Die mij te helpen zij bedacht.
Ik roepe Heer tot U allein;
Gij zijt altijd mijn hope rein;
Ter wereld en is nu niemand,
Waarvan ik verwachte bijstand.
Aanhoor toch Heer, al mijn geklag,
Want ik voortaan niet meer en mag;
Hoed mij voor de vervolgers mijn,
Die mij nu veel te machtig zijn.
Uit dezen kuil diep mij bevrijd,
Dat ik U prijze t' allen tijd.
Bij mij zijnde, Gods kind'ren vroed,
Zullen zien 't goed, dat Gij mij doet.
Wil mijn gebed, o Heer, verhoren,
Laat toch komen tot Uwe oren
Mijn smeken en mijn treurigheid;
En naar Uwe goedheid alvoren
Antwoord mij in mijn tegenheid.
Tekst: Petrus Datheen
© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden