Psalm 135
Alle gij knechten des Heeren,
Wilt Hem nu samen vereren;
Gij, die in Zijn huis staat en waakt,
Dient Hem en Zijnen Naam grootmaakt.
Heft de handen in heiligheid
In Zijn huis op met vlijtigheid,
Om Hem te loven t' allen tijd;
Prijst Hem met hart en mond verblijd.
U zal de Heer, Die eeuwig leeft,
Die hemel en aard' gemaakt heeft,
Uit Sion met groot' overvloed
Zegenen met allerlei goed.
Looft nu vrij onzes Gods Naam,
Al gij dienaars des Heeren;
Komt, wilt Hem prijzen alt'zaam,
Gij, die daar woont met ere
In Zijn huis; wilt Hem loven
In Zijn schone voorhoven.
Looft den Heer, want Hij is goed,
Zijns Naams eer laat nu horen;
Hij is lieflijk ende zoet.
Dies heeft Hij hem verkoren
Israël en Jakob vroom,
Tot een eeuwig eigendom.
Ik weet uit Gods geboden,
Dat de Heer hoog geprezen
Meerder is dan d' afgoden;
Want wat Hij wil moet wezen,
In hemel en aarde bloot,
In de zee diep ende groot.
Hij doet de wolken opstaan
Van 't einde des aardrijken;
Den bliksem laat Hij uitgaan,
Den regen desgelijken;
Hij brengt den wind voort vol macht
Uit Zijn schatkamer met kracht.
D' eerstegeboren in 't land
Egypte zijn gestorven,
Mens en vee kwamen ter schand'
En waren t' zaam verdorven.
In Egypte zag men klaar
Gods tekenen wonderbaar.
Tekst: Petrus Datheen
© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden